In de islam zijn de mensen van het Boek (ahl al Kitāb) mensen die volgens de koran de goddelijke teksten hebben ontvangen en deze toepassen. Een andere vertaling van dat begrip is 'volgelingen van een eerdere openbaring'.
De term slaat op monotheļstische godsdiensten die al bestonden voordat de islam ontstond aan wie de waarheid van God is onthuld. Onder de mensen van het boek vallen alle christenen en joden (inclusief Samaritanen en Karaiten). Ook Mandaeėrs en volgens sommige interpretaties Zoroastristen vallen onder de term mensen van het Boek. Tussen moslims en de mensen van het Boek gelden de volgende overeenkomsten:
ze hebben een monotheļstisch geloof; ze delen bepaalde religieuze teksten; ze delen veel profeten en andere figuren, zoals Abraham en Mozes;
In latere eeuwen kregen niet-moslims die onder de moslimwetten leefden enkele voorrrechten die voor de Mensen van het Boek golden.
In de koran staan veel oproepen om tolerant te zijn jegens de Mensen van het Boek, maar er staan ook vermeldingen in waarin juist wordt opgeroepen geen vriendschapsbanden met hen aan te gaan.
De meeste oelema (islamitische geestelijken) zijn het er echter over eens dat de leer van de drie-eenheid, waarbij Jezus als goddelijk wordt beschouwd, een vervalsing van de oorspronkelijke leer is. Volgens hen zou Jezus (die door moslims als belangrijke profeet beschouwd wordt), zichzelf helemaal niet als zoon van God beschouwen. Daarnaast is vergoddelijking van Jezus tegenstrijdig met het islamitische principe van tawhid (eenheid), omdat dit centrale principe stelt dat er 'geen god dan God is'.
Door de eeuwen heen hebben moslims deze teksten gebruikt om verschillende posities ten opzichte van niet-moslims te verdedigden. In sommige tijden en plaatsen waren moslims bijzonder tolerant ten opzichte van niet-moslims (een in Europa bekend voorbeeld is de tolerantie van de Moren jegens christenen en joden in Spanje in de 8e eeuw), maar andere tijden waren zij repressiever naar christenen of andere geloven.