Met het woord dhimmi (Arabisch Ðãøí ), worden inwoners van een islamitisch land aangeduid die geen moslim zijn. Zij hebben een bijzondere status. Aanvankelijk verstond men onder dhimmi's de zogeheten 'Mensen van het Boek' (joden en christenen) maar later werden ook andere niet-moslims ertoe gerekend, zoals Zoroastristen, Mandeanen en zelfs hindoes.
In ruil voor een speciale belasting (de jizyah) verleent het islamitisch gezag deze groepen bescherming en is de uitoefening van hun religie onder voorwaarden gegarandeerd. Dhimmi's hebben echter beperkte burgerrrechten. Zo kunnen zij doorgaans niet tegen moslims getuigen of in het leger dienen. Dhimmi's zijn vrijgesteld van zakat. Gedurende sommige perioden van het islamitisch kalifaat moesten dhimmi's zich door hun kleding van moslims onderscheiden en woonden zij in aparte wijken. Beperkingen in de vrije godsdienstuitoefening kunnen erin bestaan dat niet geëvangeliseerd mag worden, dat religieuze bijeenkomsten in beslotenheid plaatsvinden, dat religieuze symbolen niet op voor moslims zichtbare wijze worden gebruikt en dat geen nieuwe kerken, kloosters en synagogen worden gebouwd en bestaande gebouwen niet mogen worden hersteld bij ernstige schade. Meestal wordt niet aangedrongen op bekering tot de islam.
Toen de troepen van Mohammed in 628 bij de oase van Khaybar een joodse stam overwonnen, sloot Mohammed met hen een verdrag dat bekend staat als de 'dhimma'. Dit stond de joden toe hun land te behouden en te gebruiken in ruil voor de helft van de opbrengst. Mohammed behield zich het recht voor om deze afspraak te allen tijde eenzijdig te verbreken en de stam alsnog te verbannen. Met de expansie van het islamitische rijk is het begrip dhimmi veralgemeniseerd en kreeg het de betekenis van juridische bescherming die de islamitische staat biedt aan niet-moslims.